![]() |
||
| |
Want winst leidt tot verlies, verlies doet winnenSonnet 20 heeft veel discussie teweeg gebracht omdat het sonnet voor sommige commentatoren laat zien dat Shakespeare een verstokte homoseksueel was, terwijl anderen het juist beschouwen als bewijs voor het heteroseksuele gehalte van de dichter. Over humor gesproken. In de eerste twee kwatrijnen roemt de dichter het vrouwelijk uiterlijk en de vrouwelijke eigenschappen van zijn vriend. In het derde kwatrijn vertelt hij dat de natuur zo gek op hem was dat hij er bij zijn geboorte nog "iets" bij kreeg. Voor de dichter heeft die aanvulling echter geen waarde. En dus besluit hij het sonnet met de woorden 'Geef mij jouw liefde en geef de vrouwen dat "iets" voor hun pleziertjes.' Laten we dit sonnet eens regel voor regel bekijken en de oplossingen van de vele vertalers in ogenschouw nemen. A woman's face, with Nature's own hand painted, Hast thou, the Master-Mistress of my passion,. A woman's gentle heart, but not acquainted With shifting change, as is false women's fashion. 'dat nimmer smarte / verwekt door vrouw'lijk naar verand'ring streven' (Burgersdijk); 'maar niet opstandig / en door geen valse vrouwengril verwilderd' (vElden); 'maar niet geschaad / door grilligheid van valse vrouwenzin' (Messelaar); 'niet zo losbandig / als valse vrouwen die men dient te duchten' (Jonk); 'maar niemand leest er / het vals verraad waar vrouwen toe in staat zijn' (Verstegen); 'maar niet gericht / op vals gedraai, waartoe een vrouw soms neigt' (vdKrogt). 'maar niet naar vrouwenzede / gespitst op wufter listen looze parten' (Boutens); 'dat nooit losbandig dwaalde / als een, in valse wisseldrif bevangen' (vEmdeBoas); 'maar niet met al die kuren / van vrouwen in steeds nieuwe verf en veren' (RoyvZuydewijn). Na het gelaat en hart, komen in de twee volgende regels de ogen van de vriend in het vizier: An eye more bright then theirs, less false in rolling: Gilding the objects whereupon it gazeth, A Man in hue, all Hues in his controlling, which steals men's eyes and women's souls amazeth. And for a woman wert thou first created, Till nature, as she wrought thee, fell a-doting, And by addition me of thee defeated, By adding one thing to my purpose nothing. But since she pricked thee out for womens pleasure, Mine be thy love, and thy loves use their treasure. 'Gun mij uw liefde, haar 't genot van 't minnen' (Burgersdijk); 'Laat mij uw liefde beuren, zij haar rente' (Boutens); 'Zij mijn Uw min en 't zingenot het hare' (vEmdeBoas); 'Laat haar uw liefde, uw vriendschap mij behoren' (vElden); 'Laat mij uw liefde, haar de lust behoren' (Messelaar); 'Schenk mij dan liefde, hén min na het versieren' (Jonk); 'Mij zij je liefde, haar je wellust dierbaar' (Verstegen); 'Geef mij je liefde, laat dát haar gebruiken' (RoyvZuydewijn); 'Schenk mij jouw liefde, kruip met hen in bed' (vdKrogt). Gij, of mag ik jij zeggen, Heer, Meester, Prins, maar tegelijk ook Vrouwe, Meesteres, Prinsesse, gebiedster van mijn harte en mijn hartstocht, van mijn liefde en min, maar ook van mijn zuchten en begeren, jij hebt een blozend vrouwengelaat en vrouwelijk aangezicht met de trekken van een vrouw, door de natuur met penseel geschilderd en gemaald, ofwel eigenhandig geboetseerd en gekneed; En jij hebt ook een teder, zacht vrouwenhart al is het niet geschaad door die smarte verwekkende wisseldrift, die veranderlijke wispelturigheid, dat losbandig gedraai en verraad en die andere grillen en kuren die zo in de mode zijn bij die bedrieglijke valse vrouwen met hun verf en veren en hun wufter looze parten, die men dient te duchten; Jij hebt ook stralende oprechte en uiterst schrandere ogen die met heller glans blinken en vonken en flonkeren en niet zo bedrieglijk vals schelen en flemend alle kanten uitkijken, maar die glans geven aan alles wat zij zien, wat zij kussen en aanblikken of waarnaar hun starende blikken langen en zich richten en alles vergulden en in een gouden gloed omtoveren en zonneluisteren; Je bent een man qua uiterlijk en tint, vorm en schoonheid, voorkomen en pracht, maar jouw malsheid zou ieder uiterlijk kunnen aannemen, in alles delen, groots zijn als geen ander en al het andere verdonkeren of doen falen, zodat de ogen van mannen erdoor getroffen worden en zij gefascineerd, geboeid en steels naar je kijken en vrouwen innerlijk met hun ziel stil, geboeid, gevangen, maar ook verbaasd, onthutst, nee verbijsterd naar je opzien, wat hun doet zwichten en lusten en hun rust zal roven; Je werd dan ook aanvankelijk, in eerste aanleg, door de Natuur als vrouw geschapen, maar toen ze jou vormde en baarde en jij ter wereld kwam, ontvlamde de natuur en werd zij bestormd door hartstocht. Zij was verward, verzot en verliefd door jouw schoonheid, en toen ze even zat te dutten voegde zij iets aan jou toe, waardoor je voor mij werd gekaapt en verloren ging, omdat die ene nutteloze toevoeging, die toe- en bijgift, niet aan mij was besteed en mijn doel niet diende. Dat ene extra 'iets' teveel was voor mij van gener waarde, het griefde en ontriefde en ontwapende mij en maakte mijn hoop ijdel. Maar aangezien de Natuur jou heeft uitgepikt voor de pret en het plezier van vrouwen, hoop ik dat jij mij jouw liefde geeft en gunt en schenkt zodat ik jou min krijg en beur, terwijl die vrouwen als ze je versieren de rijkdom, de rente, het min- en zingenot, de lust en de ontluikende wellust krijgen als je met hen in bed kruipt. *** 1) De sonnet-vorm moet gehandhaafd blijven. Dat geldt voor het aantal regels, de rijmvorm en het gehanteerde metrum, bestaande uit regels van vijf normale jamben of de door Shakespeare gebruikte variaties daarop: "tadam, tadam, tadam, tadam, tadam(me)" Dat is het metrum van elke sonnettenregel en daar moeten de Nederlandse woorden in passen. Per regel tien of hooguit elf lettergrepen. Dat zijn gemiddeld zeven woorden. En dat is niet veel voor alles wat in de oorspronkelijke tekst is te vinden. Als voorbeeld regel 3 en 4 uit Sonnet 69: 'All tongues, the voice of souls, give thee that due,/ utt'ring bare truth, even so as foes commend'. Bij Sonnet 20 zagen we al dat De Roy van Zuidewijn in dit soort situaties heer en meester is. Hij beschikt, naar mijn idee, over het talent om ook in de kleine ruimte overeind te blijven. Ook hier weer: 'Jou geeft de tong, stem van de ziel, 't krediet / van waarheid die je vijanden zelfs loven.' 2) Het rijmschema wordt overgenomen, maar halfrijm is toegestaan. Dat is op zich geen verwonderlijk uitgangspunt omdat ook Shakespeare zich op diverse plaatsen bediend van half rijm - of zelfs minder dan dat. Zo laat Verstegen in sonnet 20 'rusten' rijmen op 'onthuts je'. Zijn vertaling bevat ook veel hoogst originele rijmen, zoals 'plezier, maar' en 'dierbaar' in sonnet 20. Door het gebruik van halfrijm ontstaat net iets meer ruimte om te zeggen wat je wilt. In mijn vertaling van sonnet 140 bijvoorbeeld: 'Zo wreed je bent, tracht net zo wijs te worden / en krenk mijn stom geduld niet al te veel, / want als verdriet mij woorden leent dan hoor je / hoezeer mijn pijn om medelijden schreeuwt.' 3) De inhoud van de vertaling moet overeenkomen met de overheersende betekenis van het origineel. Onderliggende betekenissen dienen waar mogelijk in de vertaling hun weerslag te krijgen. Als het gaat om de juiste inhoud van de vertaling kunnen we blindvaren op Burgersdijk en vooral ook op Peter Verstegen. Vooral de parafraserende vertalingen en het commentaar daarbij geeft de lezer een groot inzicht in de Sonnetten. Zijn vertaling verscheen in 1994 toen ik net alle sonnetten had vertaald en op zoek was naar een uitgever. Daardoor heb ik de vertaling van Peter Verstegen als een toetsteen voor mijn eigen vertaling kunnen hanteren. 4) Alliteraties, binnenrijmen, paradoxen, woordspelingen en taalgrappen vereisen een creatieve vertaling. Als neologismen noem ik: voor 'stormbeaten face' - 'waterhoosgezicht' in sonnet 34. En in nummer 40 bedacht ik voor de woorden 'gentle thief' en 'lascivious grace' - het koppel: 'torteldief 'en 'dartelduif'. Verder vertaalde ik in sonnet 2 de woorden ' all-eating shame' en 'thriftless praise' in 'veelvraatshoon' en ' verspillerslof'. 'Als je haar niet gebruikt, verbruik je haar' (sonnet 9 over de schoonheid); 'Verwijtbaar is dat je jezelf bedriegt, door wat je niet kunt geven te verlangen' (sonnet 40); 'Een duister licht verlicht de duisternis' (sonnet 43); 'Want mijn bestaan is zinvol omdat jij in elke zin van mij blijft voortbestaan' (sonnet 74). Verder heb ik soms lang geprobeerd om belangrijke vormkenmerken te bewaren. In Sonnet 46 luidt het eerste kwatrijn: Mine eye and heart are at a mortal war How to devide the conguest of thy sight, Mine eye my heart thy picture's sight would bar, My heart mine eye the freedom of that right. De omkering in regel drie en vier mag naar mijn mening niet verdwijnen in de vertaling, omdat het behoort tot het wezen van het gevecht tussen oog en hart. Door een speciale zinsconstructie is dit in het Nederlands ook mogelijk. Mijn oog en hart zijn stevig in gevecht Om wie jou beeld bezit, en dus bestrijdt Mijn oog mijn hart, en andersom ontzegt Mijn hart mijn oog weer die rechtmatigheid Verder nog enkele zinnen waar ik zelf om moest lachen. Ik weet het, in het origineel staat het er niet helemaal, maar ik denk dat Shakespeare het ook wel leuk zou hebben gevonden. In sonnet 79: 'Versleten woorden in een nieuw gewaad; Het is dezelfde stof die ik herkauw'. In sonnet 82 (over de schoonheid van de vriend), 'Waar dichters en hun boeken vol van raken.' Tot slot van dit punt nog een voorbeeld, waarbij ik nogmaals meerdere vertalingen naast elkaar zet. Het is een regel uit sonnet 74 waarin de dichter een typering geeft van wat er van hemzelf overblijft na zijn dood: 'The coward conquest of a wretched knife'. In chronologische volgorde: De aardsmoord'naar moge er vrij de dood aan geve (Burgersdijk) De willige buit het moord'naarsmes gegeven (Messelaar) De buit die schurken met een mes doorboren (van Elden) Dat het mes wegmaaide met gemene klap (Jonk) De laffe buit van een rabauw met mes (Verstegen) De laffe buit van een misdadig mes (Roy van Zuydewijn) Een miezerige messentrekkersbuit (vdKrogt) Het lijkt me dat we hiermee weer een flink stuk spekkoek achter de kiezen hebben. 5) De vertaalde tekst moet gemakkelijk leesbaar zijn. Voor mij zijn leesbaarheid en toegankelijkheid de meest belangrijke criteria. Tijdens het vertalen stelde ik mezelf steeds de vraag: "Hoe zeg je dat in normaal Nederlands als je verliefd bent of als je vreselijk kwaad bent op iemand die jou heeft vernederd?' Een voorbeeld uit het woedende sonnet 19, waarin de dichter de tijd aanvalt: 'Verslinder Tijd, grijp alle tijgertanden En ruk ze uit, maak leeuwenklauwen bot; Laat Phoenix in zijn eigen bloed verbranden Duw wat de aarde geeft weer in haar strot' Of de uitval in de richting van de black lady in sonnet 142: 'Ik wil zoiets niet horen uit jouw mond, Die zelfs haar eigen purperpracht besmeurde, Die even vaak als ik geloften schond En vuil profijt uit vreemde bedden peurde.' 6) Shakespeare verdient een poëtische vertaling. Misschien dat de volgende regels uit diverse sonnetten duidelijk maken wat ik bedoel. 'Omdat de tijd van liefde liefst geen tijd bijhoudt' (sonnet 138) 'Mijn oude drang met nieuwe drift gevoed' (110) 'Want eerst komt liefde, daarna pas het woord' (85) 'Met ogen horen is wat liefde doet' (23) 'Jij eert het goede en negeert het kwaad' (112) 'Koop met verloren pracht de eeuwigheid' (146) 'Alleen maar jij en ik en ik voor jou' (125) 'En jij bent lente, vol van zuiverheid' (70) 7) De emotionele kracht van het origineel moet voelbaar blijven Het mooiste voorbeeld hiervan vind ik sonnet 66 waarin de dichter zijn woede de vrije loop laat. Zo'n sonnet moet woedend vertaald worden. En zo is het ook gelezen door de dichter en tevens raadslid Manuel Kneepkens tijdens een vergadering van de Gemeenteraad van Rotterdam. Dit alles moe smeek ik de dood om rust, Want ik zag waardigheid een aalmoes vragen, En onbenul badend in praal en lust, En goedertrouw vertrapt en stukgeslagen, En maagdelijke deugd tot hoer gemaakt, En eregoud verleend aan vuiligheid, En zuiver recht vervalst en kromgepraat, En kracht verlamd door kreupel wanbeleid, En domheid met een doctoraat gekroond En kunst door brute macht monddood gemaakt En simp'le waarheid simpel weggehoond, En goedheid ingekooid door Koning Kwaad. Dit alles moe, ging ik het liefste heen Liet ik niet door mijn dood mijn lief alleen. 8) De erotiek van de sonnetten mag niet worden afgezwakt. Bijlage: Sonnet 20 Oorspronkelijk druk : A Womans face with natures owne hand painted, Hast thou the Master Mistris of my passion, A womans gentle hart but not acquainted With shifting change as is false womens fashion, An eye more bright then theirs, lesse false in rowling: Gilding the object where upon it gazeth, A man in hew all Hews in his controwling, Which steales mens eyes and womens soules amaseth, And for a woman wert thou first created, Till nature as she wrought thee fell a dotinge, And by addition me of thee defeated, By adding one thing to my purpose nothing. But since she prickt thee out for womens pleasure, Mine be thy love and thy loves use their treasure. Moderne versie A woman's face, with Nature's own hand painted, Hast thou, the Master-Mistress of my passion, A woman's gentle heart, but not acquainted With shifting change, as is false women's fashion; An eye more bright than theirs, less false in rolling, Gilding the object whereupon it gazeth; A man in hue all Hues in his controlling, Which steales men's eyes and women's soules amazeth. And for a woman wert thou first created, Till nature, as she wrought thee, fell a-doting, And by addition me of thee defeated, By adding one thing to my purpose nothing. But since she pricked thee out for women's pleasure, Mine be thy love, and thy love's use their treasure. Burgersdijk: U heeft, o heer-gebiedster van mijn harte Natuur een vrouwenaangezicht gegeven, Dat bloost, - een vrouw'lijk hart, dat nimmer smarte Verwekt door vrouw'lijk naar verand'ring streven, Een oog met vrouwenblik, doch zonder valschheid, Dat alles, waar 't op staart, als goud doet gloeien, Een mannenvorm en tint, die door hun malschheid Der mannen oog, der vrouwen ziele boeien; Gewis is 't, dat Natuur tot vrouw u vormde, Doch onder 't scheppen zelve op u verliefde, En zoo, verward, wijl hartstocht haar bestormde, U iets te veel, mij nutt'loos, schonk, mij griefde. 't Zij; boeit uw schoon der vrouwen oog en zinnen, Gun mij uw liefde, haar 't genot van 't minnen! P.C. Boutens: Een vrouws gelaat, zooals natuur zelf 't kneedde, Hebt gij, de meester-meesteres mijns harten, Een vrouws teér hart, maar niet naar vrouwenzede Gespitst op wufter listen looze parten. Stralender oog en niet zoo valsch in schelen, Dat alles wat het aanblikt, zonneluistert, Een man in vorm waarin al vormen deelen, Wat mannenoog steelt, vrouwenziel verbijstert. Ook waart in aanleg gij tot vrouw geschapen , Maar onder ' t beelden viel natuur aan ' t dutten Om door toevoeging u aan mij te ontkapen, Door één bijgift die ik niet kan benutten. Maar nu ze eenmaal tot vrouwenlust u entte, Laat mij uw liefde beuren, zij haar rente. C. van Emde Boas: Gij, Prins-Prinsesse van mijn liefdeszangen, Hebt van Natuur, die 't eigenhandig maalde, een vrouwelijk-teder aangezicht onvangen, Een vrouwenhart, dat nooit losbandig dwaalde, Als een, in valse wisseldrif bevangen. Een oog, min vals, dat meer dan 't hare straalde Dat alles glans geeft, waar zijn blikken langen Een malse tint, waarnaast elk ander faalde, die mannen boeit en vrouwen houdt gevangen; En tot een vrouw waart g'allereerst geschapen, Totdat Natuur, toen zij u schiep, verward werd En tussen ons een afgrond heeft doen gapen, Daar een teveel, dat mij niet past, uw part werd. Maar nu z' U schiep tot lust der vrouwenschare, Zij mijn Uw min en 't zingenot het hare. W. van Elden: Met trekken van een vrouw heeft eigenhandig 't Leven u, Heer en Meesteres, geschilderd: Een vrouwenhart gaf 't u maar niet opstandig En door geen valse vrouwengril verwilderd, Een oog dat meer dan vrouwenogen flonkert En ieder ding verguldt waar 't langs komt strijken, Een schoonheid die elk ander schoon verdonkert, Vrouwen verbaast en mannen op doet kijken. Eerst zoudt gij als een vrouw er wereld komen, Maar de natuur, verliefd op wat zij baarde, Heeft mij u door een toegift weer ontnomen, Door iets erbij voor mij van gener waarde. Maar heeft zij u voor vrouwen uitverkoren, Laat háar uw liefde, uw vriendschap mij behoren. G. Messelaar: Natuur heeft zelf een vrouwelijk gelaat Geschilderd U, Heer-Vrouwe van mijn min, 'n Teder vrouwenhart is 't uwe, niet geschaad Door grilligheid van valse vrouwenzin. Uw oog glanst meer bij minder valse schijn, Elk ding wordt goud, wanneer uw blik het kust; Gij man, zo schoon, dat g'ook een vrouw kunt zijn Doet mannen omzien, rooft de vrouw haar rust. Maar de Natuur die u als vrouw bedoeld had, werd scheppend door uw schoonheid zo geraakt, Dat zij, verward, u heeft gegeven wat U man doet zijn en mijn hoop ijdel maakt. Zijt gij bestemd om vrouwen te bekoren, Laat mij uw liefde, haar de lust behoren. J. Jonk: Een vrouw schiep de natuur je eigenhandig van aangezicht, meester vrouwe van mijn zuchten, met teder vrouwenhart, niet zo losbandig als valse vrouwen die men dient te duchten, oprecht van oogopslag en uiterst schrander, verguldend al waarop je blikken rusten, een man met voorkomen, groots als geen ander' dat mannenoog en vrouwenhart doet lusten. Jij werd door de natuur als vrouw geschapen' tot zij, ontvlamd, zich geenszins moeite spaarde en door iets extra's jou mij af ging kapen: één ding erbij had voor mijn doel geen waarde Zij pikte jou om vrouwen te plezieren; schenk mij dan liefde, hén min na het versieren.
P. Verstegen: Jij, van mijn hartstocht meesteres en meester, Kreeg van Natuurs penseel een vrouwlijk aanschijn En een zacht vrouwenhart, maar niemand leest er Het vals verraad waar vrouwen toe in staat zijn; Jouw oog vonkt meer, dwaalt niet zo vals als 't hare, Geeft glans aan al waarop je blik wil rusten; Als man gevormd, maar andere vormen waardig, Tref jij het manlijk oog, de vrouw onthuts je. Natuur had jou reeds half als vrouw geschapen Toen zij, al scheppend, zich in jou verliefde, En iets toevoegde dat mij heeft ontwapend, Omdat die toevoeging mij juist ontriefde. Jouw deel betreft de vrouw en haar plezier, maar Mij zij je liefde, haar je wellust dierbaar. H.J. de Roy van Zuydewijn: Een vrouwlijk hoofd dat kleur heeft van nature heb jij, heer-meesteres van mijn begeren, een vrouwlijk hart, maar niet met al die kuren van vrouwen in steeds nieuwe verf en veren; een oog welks heller glans, maar minder flemend, elk ding verguldt waarop het zich zou richten; een man naar vorm, al soorten vorm aannemend, die 't manoog steelt en 't vrouwenhart doet zwichten. Zou jij eerst als een vrouw ter wereld komen, jou scheppend heeft Natuur, verzot geraakt, je door één extra ding aan mij ontnomen en zo voor mijn doel ongeschikt gemaakt. Liet zij dat ding voor vrouwenlust ontluiken - geef mij je liefde, laat dát haar gebruiken. A. van der Krogt: Natuur gaf jou een vrouwelijk gezicht Mijn Meester-Meesteres voor wie ik schrijf, Een vrouwenhart ook, zacht, maar niet gericht Op vals gedraai, waartoe een vrouw soms neigt. Haar oog bedriegt, terwijl het jouwe blinkt; Al wat het ziet laat zich met goud verrijken; Een man, die met zijn pracht haar pracht verdringt, Waar mannen steels en vrouwen stil naar kijken. Je zou eerst als een vrouw worden geboren, Maar de natuur beviel je en ze deed Er nog iets bij: zo heb ik je verloren, Want net dat "iets" is niet aan mij besteed. Zo pikte zij jou uit voor vrouwenpret; Schenk mij jouw liefde, kruip met hen in bed. Literatuur: - L.A.J. Burgersdijk, De werken van William Shakespeare, deel 12. Brill, Leiden 1888. - H. Moulijn-Haitsma Mulier, Shakespeare 50 sonnetten. Van Diskoek, Bussum 1923. - Coenraad van Emde Boas, Shakespeare's Sonnetten en hun verband met de travesti-double spelen. Wereldbibliotheek, Amsterdam-Antwerpen 1951. - P.C. Boutens, Sonnetten van Shakespeare, in Verzamelde lyriek, deel 2. Atheneum, Amsterdam 1968 - G. Messelaar, De Sonnetten van Shakespeare. Bakker, Den Haag 1958. - W. van Elden, William Shakespeare - Sonnetten. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1986 - Jan Jonk, Shakespeare's sonnetten. Tabula, Amsterdam 1984 - Peter Verstegen, William Shakespeare Sonnetten. Van Oorschot, Amsterdam 1993. - H.J. de Roy van Zuydewijn, De Arbeiderspers, Amsterdam, 1997 |