![]() |
||
| |
De zonsopgangJij, dwaze zon, seniele man, Wat doe je hier! Kom jij mij wakker maken door een kier? Bepaalt jouw ritme of ik minnen kan? Pedante frik, bewaar je praat Voor schoolknapen en winkelstand Zeg ‘t stalvolk dat de koning jagen gaat, Roep maaimieren te oogsten op het land; Liefde wordt niet door een seizoen gekleurd, Waar uur, dag, maand de tijd aan flarden scheurt. Dat jouw schijnsel zo heilig is, Wie zegt dat nou?, Eén kleine wenk en ik verduister ik jou, Was het niet dat ik dan mijn liefste mis. Verblindde zij niet eerder jou Kijk en vertel dan morgen mij, Of de twee Indiën van kruid en goud Zijn waar ze waren, of hier aan mijn zij. De vorsten die je gisteren daar zag: Zijn beiden hier in één bed saamgebracht. Elk rijk is zij, ik ben het die Daar straks regeert Die vorsten doen ons na, hun trotse eer Is namaak en hun weelde alchemie. Zon, jij kan delen in ons licht, Daar wij de hele wereld zijn; Want lichter is, op jouw leeftijd, de plicht Die te verwarmen, als je ons beschijnt. Schijn hier op ons, want dan beschijn je al, Vanuit dit bed, met muren als heelal.
(Vertaling: Arie van der Krogt) |