Meer over Arie van der Krogt Neem contact op met Arie van der Krogt Bestel cd's van Arie van der Krogt
Arie van der Krogt
Startpagina
Zoeken
 
Stuur deze pagina door
Print deze pagina

 
 

Het schild van Achilles

 

Zij keek over zijn schouder

Olijven en wingerds zocht zij,

En schepen op wilde zeeën

En steden van marmer en vrij.  

Maar zijn handen etsten iets anders

In het glanzend metalen schild:

Een lucht van lood en een wereld

Kunstmatig en wild.  

 

Een niet te duiden vlakte, bruin en kaal,

Geen sprietje gras, geen woonplaats om te leven,

Geen zitplaats en geen voedsel voor een maal;

Daar in die vlakte stond, bijeengedreven,

Een stom en lamgeslagen mensenleger;

Duizenden ogen, laarzen op één lijn,

Zonder gevoel, slechts wachtend op een sein.

 

Een stem zonder gezicht klonk luid en toonde

De juistheid van de zaak met cijfers aan;

Zo effen als de vlakte was de toon

En zonder bijval en onaangedaan,

In wolken stof, vertrok de karavaan.

Vast aan een diep geloof, dat logisch leiden zal

Tot, ergens verderop, ellende en verval.

  

Zij keek over zijn schouder

Waar de vrome riten waren,

De eenjarige koeien met kransen,

De plechtige offergebaren;

Maar bij het flikkerende smeedslicht   

Zag zij op het glanzende schild,

Waar het altaar zou hebben gestaan,

Een heel ander beeld.

 

Een aantal schildwachten stond bezweet

Rondom een door toeval bepaald stukje grond

Omgeven door prikkeldraad, de dag was heet,

Verveeld hingen wat hoge heren rond

(Eén tapte ‘n mop), ‘t gewone volk stond

Buiten het hek en zag wie men ging halen:

Drie stakkers, die men vastbond aan palen.

 

De macht van de wereld, de majesteit

En wat aanzien bood, en nog altijd biedt,

Was in andermans handen, hun nietigheid

Gaf geen hoop meer op hulp, en hulp kwam er niet;

Wat hun vijanden wilden, gebeurde, men liet

Hen vermoorden in schande, erger nog, want

Voor men onthoofd werd, werd men ontmand.

Zij keek over zijn schouder

Naar sporters met hun spel,

Dansende mannen en vrouwen,

Die lenig en op de tel

Hun armen en benen bewogen;

Maar op het glimmende schild

Werd door zijn hand geen dansvloer geëtst,

Maar een woekerend onkruidsveld.

 

Een haveloos jochie zwierf doelloos alleen

Door die leegte; een vogel werd ruw gestoord

En vloog op voor zijn doelgerichte steen;

Dat meisjes verkracht werden en jongens vermoord

Was voor hem vanzelfsprekend, hij had nooit gehoord

Van een wereld waarin men zich houdt aan zijn eed,

Waarin men huilt om andermans leed

 

De dunlippige smid

Hephaestos strompelde weg;

De glansborstige Thetis 

Schreeuwde ontzet,

Toen zij zag wat de god

Aan haar sterke zoon zou geven;

Aan de koelbloedige krijger Achilles,

Die maar kort zou leven.

 

 

 

 (Vertaling: Arie van der Krogt)