Sonnet 12
Hoor ik de uren slag na slag verstrijken,
Hoe trotse dag in bange nacht verzinkt;
Zie ik viooltjes al in mei bezwijken
En hoe in zwarte lokken zilver blinkt;
Zie ik de bomen kaal, waar eens het loof
Het vee tegen de hitte heeft bewaard;
En zomergroen gebonden, schoof aan schoof,
Als grijze stoppels stil ligt opgebaard,
Dan weet ik dat jouw mooie pracht bederft,
Dat Tijd jou meevoert naar zijn woest gebied,
Want schoonheid, die geen vrucht zal geven, sterft
Zo snel als men haar elders groeien ziet.
En niets trotseert de Tijd, die alles maait,
Alleen wat tijdig door jou is gezaaid.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|