Sonnet 17
Ach, wie gelooft er straks nog mijn gedicht,
Als dat met al je deugden is gevuld;
Terwijl het dàn zo doods is als je kist,
Die niet de helft van wat je was, verhult.
Kon ik het moois beschrijven van je oog;
Jouw schoonheden benoemen, stuk voor stuk,
Dan zou men zeggen: `Deze dichter loog;
Geen mens op aarde is zo goddelijk.'
Dan zou mijn schrift, vergeeld door ouderdom,
Worden verguisd als dichterlijk gezwets;
Zoals senielen praten: veel en krom;
Een deuntje uit de maat en ouderwets.
Maar als een kind van jou het leven ziet,
Dan leef je voort in hem èn in mijn lied.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|