Sonnet 19
Verslinder Tijd, grijp alle tijgertanden
En ruk ze uit, maak leeuwenklauwen bot;
Laat Phoenix in zijn eigen bloed verbranden;
Duw wat de aarde geeft weer in haar strot.
Maak de seizoenen lelijk, maak ze mooi;
Het gaat me, snelle Tijd, geen bliksem aan.
Maak van de hele wereld maar een prooi,
Maar doe één grote misdaad mij niet aan:
Kras met je pen niet in mijn vriends gelaat;
Gebruik hem niet om uren in te schrijven;
Verniel zijn schoonheid niet, jij Tijd, en laat
Hem voor het nageslacht een voorbeeld blijven.
Hoe slecht je bent, jij Tijd, het helpt je niet:
Mijn vriend behoudt zijn jeugd toch in mijn lied.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|