Sonnet 21
Ik ben zo'n dichter niet, die dichten gaat
Als hij een schilderige schoonheid ziet;
Die met de hemel zelf te pronken staat
En alle pracht verzamelt in zijn lied;
Die schoonheid protserig vergelijken wil
Met zon, maan, zee en elke aardse schat;
Of met de eerste bloemen van april,
Met alles wat het weids heelal bevat.
O, laat mijn lied zoals mijn liefde zijn:
Eerlijk en trouw, en lieflijk als een kind;
Al mist het dan de goudverlichte schijn
Van sterren die je aan de hemel vindt.
Ach, laat ze praten, want zij praten na;
Ik prijs niet wat ik niet verkopen ga.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|