Sonnet 22
Ik ben niet oud, mijn spiegel toont het niet,
Zolang voor jou en jeugd één leeftijd geldt.
Pas als men door de tijd je rimpels ziet,
Aanvaard ik dat mijn dagen zijn geteld.
Want alle pracht die men bij jou aanschouwt,
Is voor mijn liefde passende kledij.
Jij leeft in mij, zoals ik leef in jou,
Hoe kan ik dan ooit ouder zijn dan jij?
Wees daarom, liefste, voor jezel'f goed,
Zoals ik, onbaatzuchtig, ben voor jou;
Ik draag je hart, dat ik voor 't kwaad behoed,
Zoals een min haar kind behoedt voor kou.
Tracht niet jouw hart, als 't mijne sterft, te claimen;
Je gaf het mij niet om het terug te nemen.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|