Sonnet 25
Laat hen, voor wie de sterren gunstig staan,
Maar prat gaan op hun titels en hun eer.
Laat mij, door het fortuin tekortgedaan,
In stilte blij zijn met wat ik begeer.
Wie bij de vorst in een goed blaadje staat,
Pronkt als een goudsbloem in de zonneschijn.
Maar daarin ligt ook vast dat hij vergaat:
Eén boze bui kan reeds zijn einde zijn.
Zoals de veldheer, die met bloed en zweet
Na duizend malen winst een keer verloor,
Het lot treft dat een ieder hem vergeet,
Want in het boek van eer komt hij niet voor.
Ik min en word bemind, ik zij geprezen;
Ik wijs niet af en word niet afgewezen.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|