Sonnet 29
Als ik mijn paria-bestaan vervloek,
Verstoten door het lot, door ieder mens,
Vergeefs een oor voor mijn geweeklaag zoek
En eenzaam en alleen mijn lot verwens;
Jaloers op hen die hoop hebben op beter,
Door uiterlijk of door een vriendenkring,
Door wat ze kunnen of door wat ze weten,
Terwijl ik van dat moois het minst ontving;
Dan, bijna walgend van mijn eigen ik,
Denk ik verheugd aan jou - en stijg omhoog,
Zoals bij zonsopgang de leeuwerik;
Dan klinkt mijn lied tot aan de hemelboog.
Zo rijk ben ik, wanneer ik denk aan jou,
Dat ik nog met geen koning ruilen wou.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|