Sonnet 30
Als ik in stilte mijn herinneringen
Weer oproep als getuigen van weleer,
Zucht ik om wat ik zocht maar nooit kon vinden,
En doet die tijd van lijden mij weer zeer.
Dan weent mijn oog, dat lang niet heeft geweend,
Om vrienden die niet meer in leven zijn,
Om al het moois dat uit het zicht verdween,
En om mijn lang vergeten liefdespijn.
Dan treur ik om mijn treurige verleden
En tel ik mijn ellende, traan voor traan;
De droeve som van leed dat is geleden,
Een schuld betalend die al was voldaan.
Maar denk ik dan aan jou, mijn vriend, dan telt
Mijn leed niet meer en is 't verlies hersteld.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|