Sonnet 55
55
Geen marmersteen noch het vergulde graf
Van prinsen overleeft mijn dichterswerk;
Want daarvan straalt jouw faam veel rijker af,
Dan van een door de Tijd besmeurde zerk.
Geen beeld blijft in de oorlogswaan gespaard,
Geen bouwsel ongeblakerd in de strijd,
Maar jouw herinnering blijft steeds bewaard,
Het zwaard van Mars, het oorlogsvuur ten spijt.
Tegen de dood en de vergetelheid
Ben jij bestand, omdat het nageslacht,
Dat deze wereld naar het einde leidt,
Jou prijst tot aan de laatste oordeelsdag.
Tot aan dat oordeel leef je in mijn lied
En in het hart van wie die liefde ziet.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|