Sonnet 57
Jouw slaaf ben ik, bereid om aan te treden
Op elk bevel dat ik van jou ontvang;
Ik mag geen uren voor mezelf besteden,
Alleen datgene doen wat jij verlangt.
Ik vloek niet op die eeuwig lange tijd
Dat ik op jou, mijn heer, te wachten sta.
Ik denk niet aan die wrange eenzaamheid
Als jij weer tot je dienaar zegt: `Ik ga.'
Ook mag ik niet, in mijn jaloerse waan,
Je vragen waar je heengaat, wat je doet;
Ik, droeve slaaf, mag hier slechts denken aan
Hoe blij jij hèn maakt die je daar ontmoet.
Zo dwaas maakt liefde, dat, als jij geniet
Van wat dan ook, ik daar geen kwaad in zie.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|