![]() |
||
| |
Sonnet 60
Zo haasten de minuten naar het eind,
Voortdurend bezig alles voort te duwen
En plaats te maken voor wat weer verdwijnt.
Een kind, geboren in het volle licht,
Klimt naar volwassenheid, kroon van het leven;
Maar komt na harde strijd het eind in zicht,
Dan neemt de Tijd al wat hij heeft gegeven.
De Tijd vernielt de bloesem van de jeugd,
Graaft diepe voren in een glad gelaat,
Ontneemt aan de natuur haar mooiste deugd
En maait met sikkel om, al wat bestaat.
Maar toch houdt mijn gedicht voor altijd stand
En brengt jou eer, ondanks zijn wrede hand. |