Meer over Arie van der Krogt Neem contact op met Arie van der Krogt Bestel cd's van Arie van der Krogt
Arie van der Krogt
Startpagina
Zoeken
 
Stuur deze pagina door
Print deze pagina

Dit artikel werd op 25 februari 2000 geplaatst in de NRC.

 
 

Opmaat naar het kolossale

wtc - Iedereen kent het silhouet van Manhattan vanaf het water. Een drijvende stad met wolkenkrabbers, die op hun beurt weer worden overschaduwd door de twee torens van het World Trade Centre. Ze zijn elk 1350 Amerikaanse voeten hoog. Daar werken 40.000 mensen en elke dag komen er nog eens 100.000 op bezoek. Dat geeft een hoop heen en weer geloop in zo'n gebouw, los van andere logistieke problemen. In het WTC worden dagelijks 280.000 kopjes koffie geschonken. Dat betekent dat er elke dag ruim 10.000 pakken koffie moeten worden aangevoerd en meer dan 100.000 suikerklontjes en zakjes met melkpoeder. Elke dag gaan in het World Trade Centre 140.000 mensen naar het toilet, en dat geeft een afvoer van een half miljoen liter water, de rest niet meegerekend. Zo'n kantoorflat is een stad op zich, maar wel veel efficiënter ingericht, omdat alles handig is opgestapeld. Want stel je voor dat de verdiepingen van het World Trade Centre niet boven elkaar lagen, maar in vierkanten naast elkaar. Hoe krijg je dan die koffie op tijd getransporteerd en hoe het overtollige water afgevoerd?  Met dit soort vragen hielden stedenbouwers als Van den Broek en Bakema zich bezig. Er lag in 1945 in het centrum van Rotterdam een kale vlakte en die moest vol; liefst met 40.000 bewoners en 100.000 bezoekers per dag.

 

Van den Broek en Bakema waren wat je noemt markante persoonlijkheden. Ze droegen allebei een grote zwarte bril. Net zo'n bril als de vroegere burgemeester Thomassen van Rotterdam, maar dan twee voor de prijs van één. Van den Broek was het meest Rotterdams. Aan zijn alpino zaten twee enorme oren en hij rookte achter zijn hand, zoals alle havenarbeiders in Rotterdam doen. Het gezicht van Bakema was een eindeloze veenkolonie, die zich vanachter de brillenglazen naar alle kanten uitstrekte. Hij kwam uit het noorden en dat bleek uit alles. Hij was groot, fors en aanwezig.

 

Ik zag hem voor het eerst in levende lijve op de Afdeling Bouwkunde van de TH Delft in 1970. De democratisering had geleid tot Algemene Afdelingsvergaderingen, waarin professoren, medewerkers en studenten hopeloos tot besluitvorming trachten te komen. Bakema hield daar monologen in de trant van: 'Elk gebouw dient te spreken als een organisme, een ding, een gebeuren, dat deel is van het sociaal-universele, maar dat toch in dit algemene gebeuren een afzonderlijke waarde krijgt en teken wordt.'

Het was taal die toen al eigenlijk niet meer werd verstaan. Maar je begreep wel dat hier iemand sprak, die zelf deel uit maakte van een sociaal-universeel gebeuren. Hij sprak niet alleen over 'energietoestanden', hij was ook energie.

Hij en Van den Broek waren stedenbouwers voor wie geen opgave te groot was. Zij lachten om 280.000 kopjes koffie. Zij dachten in veel grotere getallen. Voor hen was elk probleem oplosbaar. Zij vonden een antwoord op het dichtslibben van de binnensteden. Zij kwamen met een resolute scheiding tussen de verkeerssoorten. lijnbaan - De Lijnbaan in Rotterdam was het eerste winkelcentrum voor voetgangers. Door middel van luifels en etalagevitrines werd de drempel tussen buiten en binnen zo laag mogelijk gemaakt. Alles stond in dienst van de klant. Die moest droog kunnen winkelen en niet gestoord worden door auto's en vrachtwagens. De problematiek van de bevoorrading werd opgelost door expeditiestraten aan te leggen aan de achterzijde van de winkels. Het Lijnbaanconcept werd het prototype van het ideale winkelcentrum. En nog steeds, want met een dak erop is de Lijnbaan een Mall.

Van de huidige generatie architecten lijkt Rem Koolhaas het meest op Van den Broek en Bakema. Alleen presenteert Koolhaas zijn plannen ruwer en cynischer. Van den Broek en Bakema waren veel aardiger. Zij begrepen dat hun grootschalige stedenbouw hard aankwam bij het naoorlogse publiek. Daarom ontwikkelden zij plannen met een opmaat naar het kolossale. Dat is duidelijk te zien in het ontwerp van de Lijnbaan. Bakema neemt ons eerst mee naar de volières met hun bontgekleurde zangvogeltjes en naar de vertrouwde telefooncellen in het voetgangersgebied. Van daar uit kijken we licht omhoog naar de winkels van twee en soms drie verdiepingen. Pas daarachter staan de woonflats van tien hoog. Alles daarvoor doet mee om het niet erg te vinden, die grote stenen stad.

Er bestaat een mooie foto van het driedubbele warenhuis van Ter Meulen, Van Wassen en Van Vorst aan het Binnenwegplein. Het is een zonnige zomerdag en er wordt druk geflaneerd op de Lijnbaan. De regenjassen zijn minder grijs dan anders. De terrassen op de balkons van de eerste en tweede verdieping zijn druk bezet met toeristen. Natuurlijk, het zijn er nog geen 100.000, maar het succes van de wederopbouw straalt er vanaf. Rotterdam is hard op weg om een wereldstad te worden.    

Eigenlijk maakt Bakema in elk stedenbouwkundig ontwerp weer de reis van zijn leven. Hij vertrekt steeds opnieuw uit het platteland van zijn jeugd, de Groningse veenkolonies en polders, en gaat op weg naar de grote stad. Hij ontwerpt voortdurend zijn eigen levensloop. Dat is duidelijk te zien in zijn schets voor de Alexanderpolder II, een uitbreidingswijk aan de rand van Rotterdam. Bakema tekent een centrale verkeersas, de ruggengraat. Haaks daarop zien we een viertal langwerpige woonwijken die als ribben in het landschap liggen. Ze zijn volgens een vast patroon opgebouwd. Ver weg liggen de eengezinswoningen als boerenschuren in het groene polderland. Die plattelandssfeer wordt geleidelijk aan weggedrongen door parallel liggende woonblokken van drie lagen. Deze gaan vervolgens over in een forser woonblok. Hoe dichter bij de centrale as, hoe hoger de bebouwing wordt. Aan het eind staan imposante schijven, met hun poten in de middenberm van de centrale verkeersas. 'Mammoeths', noemt Bakema deze kolossale woongebouwen. Ze zijn zojuist opgestaan uit het polderland. Door die langzame opbouw van klein naar groot laten Van den Broek en Bakema ons wennen aan de schaal van de ruimte. Voor hen is de ervaring van ruimte alleen mogelijk als er diversiteit is. De mens moet kunnen kiezen tussen 'wonen op de grond, onder de bomen, of boven de bomen aan de horizon'. De kleine maat is verbonden met de grootschalige structuur. En Van den Broek en Bakema zorgen in hun ontwerp altijd voor een 'overgangsstuk', een versnellingsbak tussen klein en groot.

Dat schakelen is ook mooi te zien bij de Gereformeerde Kerk van Nagele, die aan het eind van de jaren vijftig werd gebouwd. Ook daar begint het met polder, overdreven veel polder zelfs. Van daaruit lopen we onder een poort door naar een stenen binnenplaats. Er spelen kinderen. Bakema, die met ons is meegelopen, wijst op het kinderspel en zegt: 'Zo kan een speelplaats ruimte zijn die als zodanig vertrouwd doet zijn met de ruimte van de stad. Terwijl een ruimte gemaakt als overgang van dorp naar kerk, ook plaats werd om te spelen'. We knikken. Rechtdoor is een lage ingang naar de hal. We gaan naar binnen, slaan tweemaal rechtsaf en komen in een sobere kerkruimte. Hier is het plafond al hoger dan in de hal en verderop, aan de andere kant van de zaal, is het dak nog wat verder opgetild. In die richting valt ons oog op een hoge blinde muur van kale betonblokken. Voor de muur staat op een podium een sobere Avondmaaltafel en een kansel. Dit centrale punt in het kerkgebouw wordt door het zonlicht beschenen vanuit geheimzinnige ramen die we vanuit de kerk niet kunnen zien. Alleen de voorganger heeft zicht op de Heer, dat is wel duidelijk. Achter de blinde muur staat de klokkentoren, die boven de kerk verrijst. Die toren is tevens de poort  waardoor we naar binnen kwamen. Het is de eerste en laatste schakel in een omhoogschroevend complex. 

Kort voor zijn dood maakt Bakema een klein schetsje van een woonhuis met een schroefvormige plattegrond. De woning rolt zich naar binnen op als een kat. Aan het einde van de spiraal bereiken we een hoge binnenplaats, die afgesloten is met een glazen dak. Voor Bakema is het de plek om met vrienden te eten. Ook hier is het avondmaal het eindpunt van een reis van buiten naar binnen en van klein naar groot.

BROEKENBAKEMA - Wie het werk van Van den Broek en Bakema wil begrijpen moet met die richting meekijken. Wie vanaf de andere kant kijkt, tegen de vleug in, krijgt een verkeerd beeld van hun werk. Dan zie je alleen maar grijze kolossen van gewassen grintbeton. Dan lijken Van den Broek en Bakema Oostblokbouwers. Maar dat zijn ze niet. Zij bedachten reële oplossingen voor immense problemen. Zij ontwikkelden een terminal voor de grootste passagierschepen van de Holland Amerika Lijn. Zij bouwden hele woonwijken en halve steden en zij gaven vorm aan ruimte voor massa's.

Pas later kwamen de profeten van de maakbare samenleving, die zich niet meer bezighielden met de oplossing, maar met de opgave. Die zeikerige nietsnutten, die zeuren dat 280.000 kopjes koffie toch wel wat aan de hoge kant is. Als iedereen nou eens één kopje minder zou drinken. En, moeten er nou persé 100.000 bezoekers komen? Kan dat nou niet met de helft?

Van den Broek en Bakema namen nooit genoegen met de helft. Zij kwamen nooit met halve oplossingen. Om kort te gaan: zij zagen de noodzaak van de realiteit en zij realiseerden het noodzakelijke.