![]() |
||
| |
Wiegelied (Lullaby)
Leg je hoofd te slapen, lief In mijn schoot van ach en wee Als de tijd straks vluchten gaat Neemt hij al jouw schoonheid mee, Want de onschuld van een kind Valt ooit aan de dood ten prooi; Laat tot aan de dageraad Dit een prachtig schepsel zijn, Kwetsbaar, schuldig, maar voor mij Niet te overtreffen mooi. Geest en lichaam zijn steeds één: Minnaars die zich in het groen Van heuvels hebben neergevleid, Zien een prachtig visioen; Het visioen dat Venus geeft Vol gevoel, zo bovenaards, Hoop en liefde, wereldwijd; En zo wekt een inzicht plots Tussen gletsjers en de rots Extase bij de kluizenaar. Zekerheid verdwijnt als sneeuw, Bij de klok van middernacht, Hard als echo’s van de bel En de dwazen hoor je al Met verveeld pedant geschreeuw; Alle schulden die nog staan, Los ik in, zoals voorspeld, Maar er zal in deze nacht Geen verzuchting, geen gedachte, Kus of blik verloren gaan. Schoonheid, nacht en beeld vervaagt; Laat heel zacht de ochtendwind Waaien rond jouw dromend hoofd, ’t Is een dag die nieuw begint, En die voor jouw kloppend hart Sterfelijkheid toch draaglijk maakt; Ook al is de middag droog Voed je met haar stille kracht, Door geen nacht van hoon getart, Omdat liefde jou bewaakt. (Vertaling: Arie van der Krogt) |