![]() |
||
| |
ETHAN COEN – The hereaftherHET HIERNA-MAAL Terwijl ik in satijn mijn kist Van eiken bestudeer, Denk ik: Nee, geen verrijzenis Zoals de Heer. Mijn ogen zitten vol met stro, Doof ben ik; in mijn oor Klinkt nog de mooie leugensshow Van de pastoor. Hoor, hoe de trom een roffel geeft, De klaagzang komt daarna: “Hij is niet dood! Hij leeft, hij leeft!” Ik zucht: “O ja?” Mijn huid wordt wasbleek, zo meteen Zo vet als varkensspek. Nog groeit de nagel van mijn teen; Da’s lang niet gek. Ik teer, zwel op door gas, mijn huid Als tenenkaas zo vies. Straks barsten mijn organen uit - Geen foto’s, please. Zoek je naar roots, ik bied ze aan: Mijn aderen met bloed. Zijn die van mij? Blijft recht bestaan, Als niets het doet? Mijn hoofd vol wormen, en hun buik Krijgt stilaan meer gewicht; Zij smullen van wat ik gebruik Voor dit gedicht. O als de levensdraad eenmaal Ten einde is, finaal, Dan worden dichters allemaal Ons aller maal. Bekoort ie nog, mijn lichte pen, Is iemand nog tevree, Als ik geen letterboer meer ben, Maar slechts puree? Wie wil vooruit zien, als dan steeds Je grafsteen wordt geshowd? Wie kijkt naar straks, wanneer je weet: Straks zijn we dood. Je droom en passie zijn voorbij, Je lijf vol beloofd land; Blij op de snelweg reden wij, Maar nu verzand? Een ieder werkt en krabt en krast, En hoopvol dat we zijn! Door ons gedoe krijgen we vast Veel beter slijm. (Vertaling: Arie van der Krogt) |