Sonnet 109
O, noem mijn hart niet vals, mijn vlam gedoofd,
Als mijn afwezigheid mijn vuur niet toont;
Want liever ben ik van mezelf beroofd
Dan van mijn ziel, die in je lichaam woont.
Want daar heb ik mijn liefdeshuis gevonden;
Daar keer ik terug als een verloren zoon,
Precies op tijd en niet door tijd geschonden;
Van alle smetten waste ik mij schoon.
Al zou de zwakheid, die het bloed belaagt,
Zich meester van mij maken, denk toch niet
Dat ik daardoor zou worden opgejaagd;
Dat ik om niets mijn hoogste goed verliet.
Want ieder noem ik niets en niemendal;
Maar jij, mijn liefste roos, jij bent mijn al.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|