Sonnet 128
Altijd als jij, Muziek, muziek laat horen
En met je zachte vingers zoetjes glijdt
Over het hout, zo zalig, dat mijn oren
Ontstemd zijn over die eenstemmigheid,
Dan ziet mijn afgunst hoe de toetsen kozend
De binnenzijde zoenen van je hand,
Waardoor mijn arme lippen moeten blozen,
Want zij zijn zelf op zulk een oogst gebrand.
En voor een streling nemen zij het liefst
De plaats in van de toetsen, die bewegen
Als jij daarop met leuke loopjes wiegt,
Meer gunnend aan dood hout dan aan hun leven.
Als die brutaaltjes dan zo willen wippen:
Gun ze je vingers, maar gun mij je lippen.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|