![]() |
||
| |
Sonnet 2
Als veertig winters vechtend aan je front
Je huid hebben gescheurd, je pracht geveld,
Dan loopt jouw fiere jeugd in flarden rond,
Wat nu zo mooi schijnt, is dan uitgeteld.
Vraagt men dan naar je schatten en je schoon,
Waarom ze met de jaren zijn vervlogen,
Wat een verspillerslof en veelvraatshoon
Om dan te wijzen op je holle ogen.
Meer eer verdien je als je zeggen kon:
`Mijn oude schoonheid? - Zie, hier is mijn zoon,
Want hij vergoedt mijn schuld en ouderdom,
Zijn schoonheid is mijn erfgenaam, mijn kroon.'
Je zou herboren zijn, al ben je oud,
Met warmte in je hart, al is het koud.
|