Sonnet 91
Die pocht op hoge afkomst, die op vlijt,
Die op zijn weelde, die op wat hij spaarde,
Die op zijn kleren, stijf van nieuwigheid,
Die op zijn hond, zijn valken of zijn paarden.
Zo heeft een ieder, passend bij zijn aard,
Wel iets dat hij het allermooiste acht;
Voor mij zijn al die dingen weinig waard,
Want alles is in jou bijeengebracht.
Jouw liefde is mij meer dan afkomst waard,
En meer dan weelde, kostbaarder dan kleren,
Mooier dan valken, schoner dan een paard:
Met jou heb ik wat ieder zal begeren.
Gebrekkig is alleen dat jij dit al
Ontnemen kunt, hetgeen mij breken zal.
(Vertaling: Arie van der Krogt)
Terug naar Sonnetten van Shakespeare
|