![]() |
||
| |
Shakespeare en de Dark LadyEigenlijk weten we verbazingwekkend weinig van de Shakespeare Sonnets. Niet veel meer dan dat ze in 1609 in Londen werden uitgegeven door Thomas Thorpe en dat twee gedichten al eerder waren verschenen in een verzamelbundel (The Passionated Pilgrim - 1599). Verder is er nog bekend dat Francis Meres in zijn Palladis Tamia schrijft dat enkele zoete sonnetten van Shakespeare onder vrienden circuleerden. Verder geen gegevens, geen getuigen en geen mededelingen. Laten we nu eens aannemen dat de sonnetten zijn geschreven door een man die Shakespeare heet en afkomstig is uit Stratford. En dat de eerste 126 gedichten gericht zijn aan zijn weldoener, Henry Wriothesley, die niet alleen de graaf van Southampton was, maar ook nog eens bijzonder knap om te zien. Op deze schone jongeling wordt de dichter dan ook prompt verliefd. De relatie komt echter onder zware druk te staan als de Fair Youth een relatie begint met de minnares van de dichter, de Dark Lady. Tot een werkelijke breuk komt het als de graaf ook andere dichters van zijn gunsten gebruik laat maken. Gelukkig wordt de ruzie na drie jaar bijgelegd, maar dan zijn we inmiddels ook aan het eind van de eerste reeks sonnetten gekomen. De sonnetten uit de tweede reeks (vanaf nummer 127) zijn, zoals algemeen wordt aangenomen, geschreven voor en gericht aan de Dark Lady. En laten we ons nu eens verplaatsen in de donkere huid van die Dark Lady, die zo lang heeft moeten wachten tot er ook voor haar een sonnet werd geschreven. Ze had Shakespeare al een aantal malen ontmoet en geprobeerd hem te verleiden; en ze weet zeker dat het gisteren was gelukt om zijn aandacht te trekken. En jawel, deze morgen is er bij de post een enveloppe met daarin Sonnet 127.
"In vroeger tijden vond men zwart niet schoon, Mijn lief heeft zwarte, ravenzwarte haren, En toch, die rouw past zo mooi bij haar leed, "Jasses", denkt ze, "wat een waardeloos sonnet. Alleen maar rationalisaties. Vindt hij mijn zwarte haar nou echt mooi? Of schaamt hij zich voor mijn donkere lokken en gitzwarte ogen. Heeft hij dit soort verzonnen argumenten nodig om zijn twijfels in te dammen?" Waarom toch altijd die merkwaardige redeneringen, zoals ook in sonnet 130, waarin hij haar op verschillende manieren uitmaakt voor lelijk, om dan te besluiten met de opmerking dat zij toch boven iedereen verheven is die ooit met valse beeldspraak is bedrogen. Moet ze blij zijn met zo'n gedicht? Ze schrijft hem nog dezelfde dag terug dat ze niet gediend is van dit soort sonnetten; dat hij die maar moet sturen aan dat lekkere vriendje van hem. Zij houdt meer van passie en hartstocht! Nog diezelfde avond staat Shakespeare bij haar op de stoep, met een hoog rode kleur op zijn wangen en in zijn hand Sonnet 128:
Dan ziet mijn afgunst hoe de toetsen kozend En voor een streling nemen zij het liefst Als die brutaaltjes dan zo willen wippen:
Van deze Shakespeare houdt ze en het zal niemand verwonderen dat ze die avond nog lang met elkaar hebben gepraat en dat Shakespeare voor het eerst bij haar is blijven slapen.
"De lust verspilt de geest zo schaamteloos Gek van begeerte, gek wordt de bezitter, Dit alles is bekend, maar wie vermijdt
En inderdaad - Shakespeare zit thuis, getroffen door schuldgevoelens, als Clinton na de zondeval. En hij is al druk bezig in zijn opschrijfboekje: "Jij tart en treitert mij met wat je doet, als wie door schoonheid wreed is en gemeen" (Sonnet 131); "Jij aast op winst of je in schoonheid doet; jij perst en peurt uit iedereen profijt" (134); "O, vraag mij niet het onrecht goed te praten, waarmee jij wreed mijn liefdeshart verwondt" (139); "Zo wreed je bent, tracht net zo wijs te worden en krenk mijn stom geduld niet al te veel; want als verdriet mij woorden leent dan hoor je / hoezeer mijn pijn om medelijden schreeuwt" (140); "Het zijn mijn ogen niet die jou beminnen, want duizendvoud gebrek zien zij in jou" (141); "Mijn fout is liefde en jouw fout is haat, haat om mijn fout op jou verliefd te zijn." (142); "Want ik zwoer dat je eerlijk was en rein, maar zwart als hel en nacht blijk je te zijn" (147); "Hoe komt het dat het kwaad jou passend staat?" (150); "Want jij bent eerlijk, zwoer ik - God wat min, zo'n valse eed, tegen de waarheid in." (152). "Wat is er met deze Shakespeare aan de hand? En, is er wel één William Shakespeare, of zijn er niet minstens twee: Dr. Jekyll en Mr. Hyde, Horatio en Hamlet, "Will-in-action" en "Will-till-action". Hoe letterlijk moeten we Sonnet 133 opvatten als hij schrijft: "Jouw wrede oog verdreef mijzelf uit mij; die tweede ik pakte je van mij af. Van hem, mezelf en jou verstoken zijn, is driemaal aan het kruis worden gestraft". Is dit niet de problematiek van ego's en alter-ego's? Zitten we hier niet midden in een vlucht regenwulpen? En helemaal als Shakespeare met de volgende oplossing komt: "Maak van jouw stalen boezem een gevang voor mijn hart, mits het zijne wordt bevrijd; laat mij, geketend, hem bewaken, want / dan blijft mijn cel gevrijwaard van jouw nijd". Bestaat hier nog wel een Fair Youth, of is het een afgesplitst deel van de dichter, dat hopeloos in de ban van de Dark Lady is geraakt? Zijn de Shakespeare Sonnets niet het verhaal van het uiteenvallen van een persoonlijk in conflicterende delen, waarbij de elementen geprojecteerd worden op figuren als de Fair Youth, de Dark Lady en de Rival Poet? En als dat zo is, moeten we de identiteit van die figuren dan ook niet zoeken in de persoon die we - voor het gemak - William Shakespeare noemen, maar die vooral weer een projectie van onszelf is?
|